PLUS
interview: Robert Heukels

Niemand in de zaal hoort mij piepen en kraken"

"In mijn voorstellingen zit altijd iets stichtelijks"



Juli 2026


Voor Herman van Veen niet de nostalgie van ‘Ach, weet je nog’. Op zijn 81 ste zingt, speelt, creeërt en schrijft de artiest als nooit tevoren. Dus is er een nieuw boek én een nieuw album. “Je moet hoe dan ook mee met de jeugd, jonge spelers leren van onze ervaringen, wij van hun interesses.”



Interview: Robert Heukels

Het bijzondere aan het album Plus is dat er volop inspiratie en perspectief van generatie naar generatie heen en weer gaat. Het zijn uw liedjes en teksten, plus de creatieve invulling van jonge artiesten als Maan, Roxeanne Hazes, Joost Klein. Hoe kwam u op dat idee?

“Van huis uit ben ik een onderwijzer. Mijn interesse voor kinderen, voor jonge mensen, werd ooit ingegeven door sommige leraren die ik had. Mensen van wie je echt het gevoel kreeg dat ze je zagen, in je investeerden. Die mensen wilde je nooit teleurstellen. In mijn voorstellingen zit altijd iets stichtelijks. Iets dat je moet of wilt delen, dus voor mij was Plus een heel logische stap. Het bij elkaar brengen van verschillende generaties, verschillende standpunten, verschillende ervaringen. Ik heb in dat maakproces zeker zoveel geleerd als zij blijkbaar van mij en heb er nu een handvol vrienden bij. Het kunnen spelen met artiesten van andere generaties is een voorrecht.”

Als kind van 1969 groeide ik met uw chansons op, maar ook mijn kinderen, millennials, kennen u. Meegroeien met de tijd, nieuwsgierig blijven, is dat uw kunst?

“Dat begon al met het opgroeien van onze kinderen. Mijn dochters Babette en Anne, mijn zonen Valentijn en Merlijn. Er zijn ook alweer drie kleinkinderen. Je moet hoe dan ook met ze mee. Hun nieuwsgierigheid, hun fascinaties volgen, houdt je bij de les. Zoals gezegd zijn er zowel in onze onderneming in de kunsten op Langoed de Paltz als in onze voorstelling altijd jonge spelers. Dat is een win-winsituatie. Zij leren van onze ervaringen, wij van hun interesses.”

U schrijft over Repertoire: ‘In dit boek staan teksten die de voorbije jaren bij me waren.’ Zo ervaart u dat, dat teksten bij u zijn?"

“Een tekst van een ander of van mijzelf is als een vriend die je helpt te zeggen watje kwijt wilt. Soms gaan ze jaren met je mee, soms maar een week. Wie dat beslist, zijn wij, het publiek en de spelers. Met zo'n boek letterlijk bij de hand.”

Wat betekent dat voor u?

“Ik schreef er laatst iets over, omdat we weer naar Carré gaan:

er zijn plekken waar je steeds weer naar toe wilt
niet omdat ze veranderen maar omdat jij dat doet
voor de een is het de zee, voor een ander weer een stad
een bankje in een park waar meestal niemand zat,
de straat waar je geboren bent
geluk lijkt daar niet iets dat over is, wat stil is blijven staan
het beweegt je zoals licht dat door de kieren
doet en alles zachter maakt

je hoeft daar niets te willen, alles is vertrouwd
de geur, geluid, het kraken van de dingen
het zit niet in de plek, maar wat er achterbleef, en op je wacht
ik ken zo’n plek

Is er voor u op die plek dan nog die ene meest dierbare avond ooit?

“Ja, toch wel. De voorstelling die ik er uit zou willen lichten, is de eerste. Er zaten in mijn herinnering nog geen vierhonderd mensen, die daarna zoveel geluid maakten dat het er wel duizend leken.”

De wereld rondom doet altijd mee, hoe kijkt u daarnaar?

“Met het ouder worden realiseer je je meer en meer dat de geschiedenis zich telkens anders herhaalt, maar toch herhaalt. De tijd doet dit waarschijnlijk, omdat we de lessen niet leren. Oorlog is van alle tijden. Dat zou niet moeten kunnen. En toch gebeurt het. Wat er nu speelt, acht ik linke poep. Er zijn mogendheden die zich van internationale rechtsorders niets meer aantrekken. Wie kan nog overzien wat dat aan precedenten schept? Uiterst zorgelijk.



U vertelde in het verleden vaak dat u zich thuis voelt in Vlaanderen. Vanwaar die liefde?

“Onze eerste voorstellingen speelden wij destijds in België. Concerten midden in de toen heersende taalstrijd. Ik kan mij herinneren dat we tijdens een voorstelling in Leuven overvallen werden door een horde Walen die van mening waren dat er in hun stad geen Nederlands gesproken diende te worden. Na de knokpartij hebben we de voorstelling afgemaakt. Ik had er in Vlaanderen al heel wat opzitten voordat wij in de late jaren 60 in Nederland gingen spelen. In een stad als Antwerpen speelde ik zeker zo vaak als in Carré. Ik werd daar ooit geïntroduceerd door Toon Hermans. Hij was een reus in Vlaanderen, werd op handen gedragen. We spelen van Luik tot Oostende en alles wat ertussenin ligt.”

U bent samen met een Waalse vrouw. Heeft dat de band met België nog sterker gemaakt?

“Zeker en vast. Ik ben één van de weinige gast-Belgen die alle drie de talen spreekt. Vlaams, Frans en Duits. En er was dus die taalstrijd. Je kunt je voorstellen hoe lastig het was toen ik plotsklaps in Wallonië in het Frans speelde. Ne me lance pas la-des-sus, breek me de bek niet open. Ik heb het land vanuit twee posities leren kennen. Mij valt daarbij op dat ze verbluffend ver uit elkaar staan. Er mag dan geen grens zijn, maar de taal is dat wel degelijk.”

Is er een optreden in België dat u heel speciaal is bijgebleven?

“Ik heb ooit een toneelstuk geschreven over de mythische figuur Aragne, in mijn versie 'geen mens, geen spin’. Die voorstelling beleefde haar première lang geleden in de Beursschouwburg in Brussel. Een uur voor aanvang kreeg de hoofdrolspeler het bericht dat bij zijn vrouw het water gebroken was, het kind had blijkbaar haast. Ik heb de acteur naar huis gestuurd en de mensen bij de ingang uitgelegd hoe en waarom. Een Nederlandse criticus was razend, hij was helemaal uit god weet waar gekomen. Hij maakte mij duidelijk dat de show diende door te gaan. Dus niet. Het kind van de genoemde acteur is aan een wiegendood gestorven.”

Op 14 maart werd u 81, maar het publiek blijft razend enthousiast vanwege uw eeuwige jeugd... Toch zei u laatst tegen Coen Verbraak in een radio-interview: “Verlies aan mobiliteit compenseer je met vertelkracht.” Hoe ervaart u dat precies?

“Niemand in de zaal hoort mijn piepen en kraken. Hoe ik soms stil achter adem lijk hoog te springen. De rust na de bokkensprongen vind ik in verhalen. Zorgvuldig geselecteerd op mijn longcapaciteit.”

Het lijkt, zoals u zelf zegt, dat u nog lang niet toe bent aan de nostalgie van ‘ach, weet je nog’, de blik blijft vooruit.

“In de voorstelling zeg ik soms: “Door alle herinneringen die je door de jaren verzamelt, valt er in je hoofd steeds meer te beleven.” Dat is niet ongevaarlijk. Als je te lang blijft hangen in ‘toen’ verlies je, als je niet uitkijkt, je ogen op de weg. Naast de genetische mazzel is voor mij het hebben van een plan, het vooruitzicht van een voorstelling vitaliserend. Ik kijk er zo naar uit, kan niet wachten weer te gaan zingen. Het houdt me jong. Hoe jong zou je eigenlijk zijn als je niet zou weten hoe oudje bent?” ¦


Interview Robert Heukels



Interview:Robert Heukels