Vaderland
Ruud Kuyper

eerste Zwitserse triomf van Herman van Veen

Herman(n) , daar ga je!

8 maart 1975

Zürich - Voor Herman van Veen lag in deze afgelopen week de weg naar de onberispelijke stad Zürich tussen Hilversum en Vlaardingen.


Want in beide laatsgenoemde Nederlandse plaatsen ( ook niet te versmaden trouwens!) trad het veelzijdige 29-jarige theaterfenomeen respectievelijk jl. zaterdagavond en gisteravond op met zijn nieuwe Nederlandse show.

Zürich, waar sinds het bijna angstaanjagende succes dat Der Hermann november vorig jaar in Westduitse theaterhaarden als Hamburg, Berlijn en München oogstte, terecht een meer dan gezonde belangstelling naar hem uitgaat. viel daar precies tussen in: dinsdagavond 20.30 uur in het wereldberoemde Schauspielhaus.

Een etmaal later was er trouwens in een prijzig Münchens hotel een vorstelijk banket, waar Herman van Veen verlegen glimlachend de Stern des Jahres („Beste Showman en Poëet van 1974") in de handen kreeg gedrukt. O ja, en donderdagavond was het Amersfoort geblazen een op z'n zachtst gezegd tamelijk grillige week-indeling maar een, kniesoor die daar pp let. En Van Veen is geen kniesoor.


PLEZIER


Maandagavond arriveerden hijzelf, zijn vier musici en zijn technische staf per Boeing 747 met eindbestemming Melboume op de Zürichse luchthaven Kloten. Een grapje van manager Pieter Alffcnnk, dat bioscoopachtige toestel. „Want", zegt Herman, „we hadden nog nooit zo'n kolossaal vliegtuig van binnen gezien, en er ging er toevallig een, dat nog in Zürich stopte ook.

„Het hoort er allemaal bij, want we willen het onszelf als groep mensen die elkaar stuk voor stuk erg persoonlijk kennen, op zo'n buitenlandse reis zo gezellig mogelijk maken. Niet zomaar even een zakentripje, geld opstrijken en weer wegwezen. Welnee, altijd plezier zien te hebben, altijd het nuttige met het aangename combineren. Trouwens: misschien is iets wel juist nuttig doordat het gezellig is. Zodra we in Zürich waren, gingen we heel lekker eten. Heel duur ook, maar dat moet af en toe ook eens."

Dinsdagmorgen vroeg op. Wandelen in de felle zon en de prikkelend koude lucht, hebberige meeuwen voeren op de brug bij de uit de twaalfde eeuw daterende Grossmünster Kathedraal, lunchen, teksten doornemen, anderhalf uur slapen.


PLUCHE


Repetitie in het Schauspielhaus, een theater zoals ieder theater zou moeten zijn: glimmende roodbruine stoeltjes, bekleed met wijnrode pluche (ja, wat anders!), de wanden gecapitonneerd met dezelfde kleur stof en versierd met groepjes van drie aandoenlijke schemerlampjes, klapdeuren met glimmende koperen handvatten, en een paar loges met stoeltjes waar sinds een paar jaar op de Nederlandse rommelmarkten weer veel geld voor wordt betaald.

Zwijgend en zeer bleek inspecteert Herman van Veen het legendarische, maar niet al te grote toneel, waar de maandag overleden Westduitse actrice Therese Giehse .tijdens de Tweede Wereldoorlog Bertholt Brechts drama „Mutter Courage" ten doop hield en waar drie dagen eerder „Richard de Derde" van Shakespeare werd opgevoerd.
„Het is toch niet te geloven", mompelt hij zachtjes. „Straks staan wij hier, en daar ben ik dankbaar voor, hoewel ik dat eigenlijk een bol woord vind.


DAAR!


„Maar het is nu eenmaal zo. Ik heb bijvoorbeeld veel te danken aan Pieter Alferink, die voor de schitterende Duitse vertaler Thomas Woitkewitsch heeft gezorgd en het klimaat heeft geschapen waarin ik hier, en in Duitsland en Oostenrijk, kan werken.

„En dan aan Guido Baumann, die is hier het hoofd van de Radio en Televisie. Bovendien is hij presentator. Vergelijk hem qua naam maar net iemand als Willem Duys. Toen hij hoorde dat we contact hadden met Zwitserland, zei Guido: Ik zorg dat Herman zijn eerste avond in het Schauspielhaus krijgt. Daar moet hij staan, en nergens anders.


WIE?


„Het enige wat me nu nog interessert is: Wie komt hierop af, want het is op een paar invitaties na een vrije voorstelling. Wat voor mensen zijn dat straks. Voelen ze aan wat je doet, leven ze met je mee, herkennen ze iets van zichzelf in je. Een angst, een schreeuw, een uiting van vreugde. Want daar gaat het alleen maar om, dat heeft niets te maken met het land waarin je werkt. Maar als ik straks een hele zaal vol smokings en glimmende avondjurken zie, ben ik eigenlijk al geweest. Hoewel, daar kun je je behoorlijk in. vergissen.

„Neem de eerste voorstelling in Berlijn. Daar dachten ze dat ik een soort Karel Gott (zeurderige schlagerzanger van onduidelijke Slavische signatuur — red.) was. Ik heb des te harder moeten werken om dat publiek toch te bereiken. De tweede show was geen probleem meer."

Onopvallend, bescheiden ook, maar in feite volkomen zeker van zichzelf treft hij de laatste voorbereidingen. Test de hoogte van de mocrofoon, ziet toe op het omhoog hijsen van een enorme witte ballon, sjouwt met een vioolkoffer, maakt grote stappen over het toneel en maakt zich los zoals men een voetballer ziet doen vlak voordat hij moet invallen. Dan trekt hij zijn jas aan, en verdwijnt met alle „jongens" naar een belendend café om iets te gaan eten.
Tegen kwart over acht zit de zaal barstensvol Zürichenaren, die er stuk voor stuk jaloers makend goed uitzien (zeker iedere zondagmiddag een paar uur de sneeuw in) en enige tientallen Nederlanders.


OF...?


Er gaat een aarzelend applausje op als de eerste muziek wordt ingezet door gitarist Harry Sacksioni. pianist Erik van der Wurff, fluitist Martijn AIsters, en de blazers Ger Smit en Hans Koppes.

Herman van Veen komt in het halfdonker op, zingt zijn eerste liedje, haalt een serie fratsen uit, huppelt, springt, valt op zijn gezicht en doet zich zogenaamd pijn, strompelt verder.

Zingt weer iets, speelt viool en gitaar, brengt het publiek in lacherige verwarring (doorlopen of weer terug naar de plaats?) door in het begin van de pauze zingend het toneel weer op te komen.

(Herman van Veen zijn weekagenda)


Op dat moment lijkt de verovering van Zürich trouwens al geen probleem meer. Ruim een uur later neemt de Nederlandse artiest die „alleen met Charlie Chaplin te vergelijken is" (Abendzeitung München) hijgend en zwetend een donderende ovatie van zo'n tien minuten in ontvangst.


OPEN


„En ze zijn hier toch echt wel wat gewend", zegt Guido Baumann. die glunderend mee deelt in Hermans triomf. „Soms staan ze al bij de garderobe als het doek voor de eerste keer gevallen is. Maar ze pikken hem. Zwitserland — althans het Duits sprekende deel — ligt voor hem open."

Werner Wollenberger, artistiek directeur van het Schau spielhaus: „Ik ken verscheidene mensen uit uw land. Albert Mol, Toon Hermans natuurlijk, Rudi Carrell, Lou van Burg, Johannes Heesters. Verder kijk ik regelmatig rond in Parijs, Lon- den en New York. Maar een fenomeen zoals dieser Hermann, met zo'n grillige combinatie van zwarte humor en muzikaliteit, heb ik nog nergens gezien. Wees maar trots op hem. En zuinig."

Een dame van middelbare leeftijd: „Bij Hermann van Veen is de hele avond wel wat te lachen. En dat heb ik dan ook gedaan. Laat hij maar gauw terugkomen."

Een televisieproducent: „Er zit geen enkele inzinking in zijn teksten. Op technisch gebied — licht, geluid en andere verassende elementen is alles volkomen uitgebalanceerd."


SCHRIK


• Een jong meisje en haar verloofde: „Hij werkt zo fascinerend dat je er soms van schrikt. En wat een lichaams beheersing.''

• Een theatercriricus: „Een waanzinnig begaafde man."'

Herman van Veen, ter- wijl hij de schrijver van dit artikel een forse trap onder zijn achterwerk geeft: ,Jk ben zo blij, ik ben zo verschrikkelijk gelukkig. Marloes zit thuis te wachten , ik moet haar eerst even bellen. Moet je horen: er was daarnet een impresario uit Liechtenstein in de kleedkamer. Hij bood drie voorstellingen aan. Weer een landje verder. Maar ondertussen dacht, dus ook Liechtenstein meldt zich! Weer een landje verder. Maar ondertussen dacht ik aan Amersfoort. En aan Vlaardingen . . ."